
 |
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
 |
 |
 |
 |
|
 |
| |
De eerste weken zijn prima verlopen. Sommigen zullen de kersverse hondeneigenaar voor gek verklaren, maar we hebben twee weken samen geslapen. De hond en ik. Hij in zijn bench. Ik op de bank in de kamer. Hij hield me in de gaten, keek 's nachts af en toe of ik echt nog in die slaapzak lag en verder vond hij het best. Na twee weken gingen we een weekend weg naar een vakantepark. Bobby ging mee. Het zou voor ons het uur der waarheid worden. Een andere omgeving, maar wel zijn vertrouwde bench, maar... geen baas meer op de bank. Het werd piepen. Begrijpelijk. Drie nachten lang. En toen was het voorbij. Weer thuis in de vertrouwde omgeving hebben we doorgezet en vanaf de eerste nacht loopt het als een trein. Bobby in de bench, de baas in zijn eigen bed en... het is stil. Bobby slaapt en wij slapen. Al een week lang. Hij heeft kennelijk het vertrouwen dat wij weer terugkomen. Van 's avonds 23.00 uur tot de volgende ochtend 8.00 uur is geen probleem. En dan? Dan is hij errug blij dat wij er weer zijn! Hij is in twee weken al flink gegroeid. Eet nu drie maal per dag zijn maaltijd. Plast buiten en poept (bijna) altijd buiten. Alleen 's nachts gaat het mis. Alhoewel, wat is mis. Zijn blaastraining is nog niet voltooid dus de plas en soms een poep nemen we nog even voor lief. Rennen doet hij buiten als een gek. Vooral als we hem van afstand roepen stuift hij als een speer naar ons toe. Apporteren schijnt in zijn genen te zitten en doet hij bijna uit zichzelf. Het is een hondje dat graag iets voor de baas lijkt te willen doen. Lopen aan de riem gaat redelijk, tenminste op vertrouwd terrein. De grote buitenwereld met alle geluiden en bewegingen vindt hij nog wat eng, maar ook dat begint te wennen. Bobby vindt onze twee katten zeer interessant. Het lijken hem wel leuke speelkameraadjes, maar de katten houden liever nog wat afstand van dat blaffende druktemakertje. Af en toe delen ze een corrigerende tik uit, maar de nageltjes staan dan steeds minder vaak venijnig uit. Er is hoop dat ze straks samen door een deur kunnen. Binnenkort volgt de puppy-curus! |
|
|
 |
 |
 |
 |
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
 |
 |
 |
 |
|
 |
| |
Kooikerhondjes behoren tot een oud, Nederlands ras. Op schilderijen van 17e eeuwse meesters o.a. Jan Steen komt men veelvuldig hondjes tegen die veel lijken op het huidige kooikerhondje. De geschiedenis van het kooikerhondje als werkhondje in de eendenkooi, dateert al van enkele eeuwen geleden. Door de achteruitgang van het aantal eendenkooien aan het begin van de twintigste eeuw dreigde het type kooikerhondje te verdwijnen. Het is de verdienste van mevrouw M.C.S. Baronesse van Hardenbroek van Ammerstol dat zij in de jaren veertig van de vorige eeuw de aanzet heeft gegeven om het type kooikerhondje te behouden en tot ontwikkeling te brengen tot een definitief ras. Met behulp van een marskramer die zij een lokje haar en een afbeelding van een kooikerhondje meegaf, slaagde zij erin enkele bruikbare exemplaren op het platteland op te sporen. Zo kwam zij aan het teefje 'Tommie', uit Friesland, welke algemeen beschouwd wordt als de stammoeder van het huidige kooikerhondje. Aanzet tot erkenning van het kooikerhondje als ras werd gegeven door de onder toezicht van de Raad van Beheer op Kynologisch Gebied georganiseerde keuringsdagen ten behoeve van erkenning van het ras. Deze dagen werden georganiseerd in 1958, 1959 en in 1961. Op 18 juni 1966 vond voorlopige erkenning plaats en kort daarna kon men zijn kooikerhondje laten inschrijven in het Voorlopig Register. De officiële definitieve erkenning als ras verleende de Raad van Beheer op 20 december 1971. Op die datum werden ook de nu geldende raspunten van kracht.
Van huis uit is het kooikerhondje een werkhondje: assistent van de kooibaas, bewaker van huis en erf, verdelger van muizen, mollen en ratten. Het is een lief, vrolijk en pittig hondje, attent en intelligent, dat in hoge mate bereid is om voor de baas te werken. In huis vertoont het kooikerhondje een groot aanpassingsvermogen; op zijn tijd rustig en bescheiden, dan weer speels en bruisend van levenslust. Hij is goed waaks, maar slaat alleen aan als er reden voor is. In vrije beweging buiten (onaangelijnd) heeft hij een hoog bewegingstempo, lichtvoetig met een permanent sierlijk wuivende staart. Hij is gevoelig voor lawaai en harde woorden. Het is geen allemansvriend. Hij is aanvankelijk terughoudend tegenover vreemden, kinderen en andere honden. Afhankelijk van het temperament zal hij vluchten of grauwen als hij zich onzeker voelt. Heeft hij iemand geaccepteerd dan is er een vriendschap voor het leven gesloten. Het Kooikerhondje is vrolijk, maar niet te luidruchtig, zeer op zijn omgeving gesteld, vriendelijk, goedaardig en attent.
Vacht De vacht kan goed tegen vocht en houdt weinig vuil vast. Het onderhoud is gemakkelijk; regelmatig borstelen met een goede haarborstel houdt de vacht in prima conditie en het huis redelijk haarvrij. Voeding Sobere voeding, van goede kwaliteit, zorgt voor een slanke gespierde hond, die graag en gemakkelijk beweegt. Afhankelijk van het geslacht en de grootte zal een kooikerhondje niet meer mogen wegen dan 9-15 kg.
Teef / Reu Een kooikerreutje is veelal wat groter dan een teefje. Qua karakter ontlopen de beide geslachten elkaar niet veel. Uiteraard heeft u bij een teefje te maken met optredende loopsheden. Het kooikerhondje is permanent verharend, maar een teefje verhaart nog wat meer dan een reu. Een reu is standvastiger qua karakter, maar heeft soms wat meer dan teefjes de neiging om de baas in huis te worden. Dit is met een consequente aanpak echter prima op te vangen.
Beweging Een kooikerhondje is een werkhondje. Dat houdt in dat hij veel beweging nodig heeft. Een hond die te veel thuis zit en niet verder komt dan de eigen tuin, al is die nog zo groot, wordt geestelijk en lichamelijk tekort gedaan. Hij krijgt te weinig de gelegenheid zijn spieren te gebruiken, initiatieven te nemen en geurindrukken op te doen. Een kooikerhondje leeft gemiddeld 10 tot 14 jaar. Tijdens die periode is de eigenaar verantwoordelijk voor een 'hondwaardig' bestaan. Spelen en leren De eigenaar moet de intelligentie van het hondje, zijn opmerkzaamheid, zijn werklust en de sterke band met de baas uitbuiten, door veel met de hond bezig te zijn. Kunstjes leren in huis, zoek- en apporteerspelletjes doen in de tuin of tijdens een wandeling. Spelletjes prikkelen de nieuwsgierigheid van de hond en zijn leervermogen en bevestigen de band tussen baas en hond. Voor pup, puber en volwassen hond moet de rangorde duidelijk zijn: de baas is de baas, dus de roedelleider of alphahond. Alleen onder die voorwaarde voelt de pup zich veilig, zal een dier van ± 7 maanden (begin puberteit) leren 'inbinden' en kent de volwassen hond zijn plaats in de roedel (het gezin). Het gevoelige, intelligente kooikerhondje heeft meestal geen harde stem of hand nodig, maar wel een heel consequente aanpak en besliste leiding, waardoor het natuurlijk overwicht van de baas over de hond duidelijk wordt. De hond zal dit overwicht graag aanvaarden en dat voorkomt dat de jonge of volwassen hond zelf regelend, en dat is met de bek, gaat optreden.
Socialisatie De sociale aanpassing begint al met drie weken in het nest; de periode van zes tot zestien weken is de belangrijkste voor de sociale ontwikkeling van de hond. Het is ook de periode waarin hij het snelst iets leert (inprentingsfase). Voor het eenkennige kooikerhondje is een goede socialisatie van levensbelang. Een hond die zich veilig voelt en zelfvertrouwen heeft, is een hond die je kunt vertrouwen. Daarom moeten fokker en de nieuwe eigenaar gezamenlijk werken om het hondje te laten wennen aan de menselijke samenleving met vele facetten. Zorg voor plezierige contacten met kinderen, volwassenen, honden en andere dieren. Laat hem wennen aan huis-, tuin- en keuken-, straat- en andere geluiden. Betrek de pup bij begroeting van gasten, haal kinderen en bevriende honden in huis of neem de pup mee naar plaatsen waar die te vinden zijn. Neem de pup niet in bescherming als hij angstig is of vluchtgedrag vertoont, maar laat als 'roedelleider' zien dat er niets aan de hand is. Anders dan bij mensenkinderen heeft de pup slechts een jaar nodig om volwassen te worden en in dat jaar zijn fokker en eigenaar samen verantwoordelijk voor de geestelijke en lichamelijke ontwikkeling van de hond. Alle goede geïnvesteerde tijd, moeite en energie komen later met rente terug. Opvoeding en training Hoewel er nog steeds kooikerhondjes in de eendenkooi hun werk verrichten, zullen de meeste hondjes daar niet aan toe komen. In vorm van spel, cursussen op gebied van gedrag, gehoorzaamheid en behendigheid, speuren en zoeken zal 'plaatsvervangend' werk gezocht moeten worden. Samen met de baas is het zijn lust en leven. Vanaf ± 9 weken kunt u op puppy-cursussen samen aan de slag. Het is heel belangrijk. De baas leert de lichaamstaal van zijn hond kennen, de hond leert zijn baas beter kennen en leert om te gaan met andere honden. Het gezamenlijke einddoel is een vriendelijke, gehoorzame hond die overal met het gezin mee naar toe kan, omdat hij goed opgevoed is. Overigens kan de hond, als dat eens nodig is, ook heel goed alleen thuis blijven. Een goede opvoeding in de eerste twee jaar zorgt ervoor dat u jaren (sommige kooikerhondjes worden wel 16 jaar en ouder) plezier van uw hond kunt hebben.
Rasstandaard van het Nederlandse Kooikerhondje Nummer van de F.C.I. standaard: 314 Oorsprongsland: Nederland Gebruik: Deze kleine spioen, die in de eendenkooien zo voortreffelijk werkte en soms nog werkt, met zijn harmonische bouw, fraaie kleur en schitterende beharing en bevedering is een echt jachthondje met een opgewekt karakter.
Indeling F.C.I.: Groep 8, sectie 2, drijfhonden, nr. 8.20.31
Kort historisch overzicht Dit Nederlandse ras is erkend. Op 18 juni 1966 keurde de Raad van Beheer de voorlopige officiële raspunten van het Kooikerhondje goed. Men fokt het ras thans in behoorlijke aantallen van zeer goede kwaliteit; de jaarlijkse Kooikerhondjes dag heeft een grote bijdrage geleverd aan de huidige positie van dit jachthondenras. Raspunten van het kooikerhondje Algemeen voorkomen en verschijning: Kwieke, bonte hond van vrijwel kwadratische lichaamsvorm, waarbij de lengte iets meer bedraagt dan de schofthoogte. Goed bevederde staart en opgeheven hoofd. Lengte van schedel en snuit ongeveer gelijk.
Karakter Vrolijk maar niet luidruchtig, zeer op zijn omgeving gesteld, vriendelijk, goedaardig en attent.
Beharing Middelmatig lang, lichtgolvend tot sluik; niet krullend en goed aansluitend. Niet te fijne haren. Goed ontwikkeld onderhaar. Gemakkelijk te onderhouden.
Kleur Duidelijke en heldere oranjeroodkleurige platen op witte ondergrond. De kleur moet overwegen. Zwart-bont en driekleur zijn niet toegestaan.
Grootte Schofthoogte van ca. 35 tot en met ca. 40 cm. |
|
Hoofd Schedel: voldoende breed, matig gewelfd
Stop: duidelijk maar niet te diep Neusspiegel: zwart Snuit: niet te diep en profil
Lippen: niet overhangend Jukbeenderen: goed gevuld
Aftekening: bij voorkeur bles, gekleurde wangen
Ogen: amandelvormig, donkerbruin met vriendelijke, attente uitdrukking Oren: matig groot, aanzetting iets boven de lijn tussen neuspunt en ooghoek, zonder wit, tegen de wangen gedragen. De oorharen zijn lang, zwarte haarpunten (oorbellen) zijn gewenst.
Gebit: normaal scharend, tanggebit is toegestaan Hals: recht en krachtig gespierd
Romp Rug: sterk
Borst: diep met voldoende gewelfde ribben Staart: horizontaal, tot vrolijk gedragen; niet gekruld. Goed ontwikkelde bevedering met witte pluim. Lengte van de staartwervels tot de hakken reikend.
Bron: Vereniging Het Nederlandse Kooikerhondje |
|
|
 |
 |
 |
 |
|
|
|
|
|
|
 |